HOE HET ALLEMAAL BEGON
Door
één van de leden.
Hoewel de Japanse
‘grote vier’, Honda, Kawasaki, Suzuki en Yamaha, heden ten dage de
suggestie wekken dat zij al eeuwen oud zijn, is de werkelijk heel anders.
In de motorindustrie
zijn deze 4 gewoonweg jonkies en het is daardoor des te meer opvallend, dat
men in staat is gebleken om zich in pakweg vier decennia te ontwikkelen van
rasechte na-apers tot
toonaangevende motorenbouwers.
De namen van de vier
zijn weliswaar al meer dan honderd jaar gelieerd aan techniek, maar dan
voornamelijk in de ‘Heavy Industries’, variërend van orgelbouw tot
bruggen en vliegtuigonderdelen.
Door de naoorlogse
industriële ontwikkelingen in het oosten bleek er plotseling een enorme markt
voor gemotoriseerde tweewielers. Pas toen kwamen de grote vier als
motorenbouwers in beeld.
Soïchiro Honda
produceerde zijn eerste
‘gemotoriseerde tweewieler’ pas in 1946 en het eerste volledige eigen
product, de Cub, zag het
levenslicht in 1951 en dat was een soort veredelde Spartamet.
De productennaam
Kawasaki dateert weliswaar uit eind 19e eeuw, maar de eerste echte
Kawasaki motorfiets werd in 1962 aan de pers getoond en kwam rechtstreeks van
de door Kawasaki Heavy Industrie overgenomen Meguro motorfietsen fabriek.
Hetzelfde jong geboren
lot was ook Suzuki beschoren. Deze firma begon door overcapaciteit van de
productielijnen pas in 1952 aan de bouw van motorfietsen.
En hoe zit het nu met
het merk Yamaha?
Torakusu Yamaha begon in
1887 met de productie van orgels en al snel groeide het bedrijf uit tot een
gezonde onderneming onder de naam Nippon Gakki Co. Ltd. Het bedrijf werd de
grootste producent van muziekinstrumenten en tijdens de oorlog werden er
vliegtuigonderdelen gemaakt. In 1954 werd er begonnen met de productie van
motoren en de naam Yamaha, genoemd naar de oprichter, was
geboren.
Om ad-hoc in de vragende
markt te springen en om te voorkomen dat men de stormachtige ontwikkeling zou
missen, deed het management hetzelfde wat alle andere Japanse
tweewielerbedrijven in die periode ook deden. Namaken!
De filosofie van de
Japanners was in die tijd helder en liet niets aan de verbeelding over:
‘beter goed gekopieerd dan slecht verzonnen’ luidde het credo en
schaamteloos werden Engelse en Duitse producten nagemaakt.
Zo begon ook de
ontstaansgeschiedenis van de moderne Yamaha.
De eerste Yamaha
motorfiets rolde in 1955 van de band en kreeg de naam YA1 en de bijnaam “Red
Dragon” vanwege de..juist.
Het fietsje was uiterst
zorgvuldig gekopieerd van het Duitse succesnummer DKW RT125. Geen schande want
een ander Europees merk, BSA, zou
de Bantam uitbrengen, wat ook een kopie van de RT was.
Een jaar later flikte
men dat kunstje nog een keer met een kopie van de RT 175.
| Foto NSU125RT | foto YA1 |
![]() |
![]() |
Hoe dan ook: de basis
was met deze eencilinder 125cc tweetakt gelegd en deze bedrijfsfilosofie zou
een jaar later navolging krijgen met de bouw van een tweecilinder die de basis
zou worden van de roemruchte reeks tweetakten, die u, beste lezer, zo
waardeert.
Het voorbeeld van de
eerste twin van Yamaha zou de Duitse Adler worden. De MB250 was een goede maar
dure tweecilinder, waarvan de productie in
Duitsland door de hoge kosten op losse schroeven stond.
| Foto Adler MB250 | foto Adler Blok |
![]() |
![]() |
Het frame van de nieuwe
twin werd door Yamaha in eigen beheer ontwikkeld en in 1956 werd de 250cc aan
het publiek getoond onder de naam ‘YD 1’ en deze fiets zou een
ontwikkeling meemaken die zijn weerga in de tweetaktwereld niet zou kennen.
Kenmerkend aan deze
luchtgekoelde motor was de secundaire kettingaandrijving aan de rechterzijde
en de koppeling was op de linker kruktap gemonteerd, net zo als dat bij de
Adler het geval was. Tevens waren de carters, naar goed oud gebruik, verticaal
deelbaar.
Deze onmogelijke
koppelingconstructie zou het overigens bijna 10 jaar in ongewijzigde vorm
volhouden, hoewel het vaak een bron van ellende bleek. De ademhaling van de
beide cilinders werd echter nog verzorgd door slechts één carburateur
Maar verder was de YD1
een tamelijk moderne motorfiets, door de Yamaha technici ontdaan van de zo
verfoeide schommelarm voorvering en plunjervering aan de achterzijde, zoals
die door Adler was ontwikkeld. Zo kreeg de YD1 weldegelijk een eigen
smoelwerk.
Naast de YD serie werd
al snel, onder invloed van de bekende Asama races in Japan (een soort veredeld
hillclimbing) een S serie uitgebracht onder de naam YDS1, die weer de basis
zou vormen van de TD 1C productie racer. Kunt het nog volgen?
Buiten Japan had merkte
echter niemand iets van deze schermutselingen omdat de motoren nog niet geëxporteerd
werden.
Dat vond plaats rond de
jaren zestig toen de opvolger van de YD1, de YD2 , werd uitgebracht en deze
buiten de landsgrenzen verkocht ging worden. Zo maakte in 1960 de boze
buitenwereld voor het eerst kennis met de 250cc tweetakt Yamaha twin YD2,
toentertijd een onopvallende en middelmatige nieuwkomer.
FOTO YD2

De Japanners leerden
snel en na de weinig opwindende export introductie van de YD2 werd in 1964 de
YDS3 uitgebracht. In dit model waren veel tekortkomingen van de vorige
modellen verbeterd. Er waren nu serieuze remmen aan boord, de gietijzeren
cilinders kregen elk een carburateur en het buizen frame was verbeterd en
rechtstreeks afgeleid van de race versie.
Nog steeds had het frame
geen echte wiegvorm en opvallend aan de constructie was het ontbreken van de
parallelle staande wiegbuizen van achter het blok naar boven toe.
De koppelingsconstructie
bleef ongewijzigd evenals de verticaal deelbare carters.
| FOTO BLOK YDS3 | FOTO YM (305) |
![]() |
![]() |
Naast deze YDS3 werd
ook een 305cc versie uitgebracht: de YM en
vond ook de ‘Toer versie’ de YD3 de weg naar de consument. De YDS3 was een
redelijk verkoop succes en liftte ook een beetje mee met de successen van
Honda. Met name in Engeland verkocht de 3 goed. In Nederland zijn er anno 2002
nog een handvol YDS 3 exemplaren over.
De YDS 3 was eigenlijk
het laatste exemplaar dat nog geheel volgens het oude Adler concept gebouwd
werd.
Omdat
nummer 4 in Japan een ongeluksgetal is, werd in 1966 de opvolger van de YDS3,
de DS5 gelanceerd en deze machine had men motorisch ingrijpend gewijzigd.
De
koppeling verdween eindelijk van de krukas en kreeg een plaatsje op de
primaire versnellingsbak as, de gietijzeren cilinders werden vervangen door
aluminium exemplaren en de DS5 had als noviteit een elektrische starter, die
helaas ook weer een bron van ellende zou gaan vormen.
Door
het enorme anker trilde de krukas behoorlijk, met als gevolg uitgelopen lagers
en carters die domweg uitsleten.
Maar
al met al was de felle DS5 een redelijk goede motor met hoge prestaties.
| F |
FOTO DS5 |
![]() |
![]() |
De laatste stuiptrekking
van de YD1 nakomelingen zou de DS6 worden en daarmee was het concept tot aan
de laatste carterbout uitgemolken.
Gelukkig zagen de
Japanners dat zelf en begingen niet de fout die de Engelse motorindustrie in
diezelfde periode maakte, door eindeloos op een concept door te borduren en
daarmee zelf het einde van een succesvolle motorindustrie inluidden.
Parallel aan de DS6 werd
in 1967 ook een nieuwe (voor die tijd) zware twin aan het publiek
gepresenteerd: de R1. Aanvankelijk stond men een beetje sceptisch tegenover
deze fiets omdat men dacht dat men de thermische problemen die zo’n zware
luchtgekoelde tweetakt met zich meebracht, nog niet de baas was. Maar dat
bleek reuze mee te vallen.
De R1 (of YR1), was een
compleet nieuwe motor met horizontaal deelbare carters, een krukas met
labyrint afdichting, aluminium cilinders, de kettingaandrijving links en een
boring slagverhouding van 59,6
x 61 mm.
De kenner ziet met deze
waarden onmiddellijk dat de krukas nog niet hetzelfde is als de latere 250/350
serie. De ware freak weet immers onmiddellijk waar we het over hebben bij de
uitspraak 54,54 (Yamaha zou later in alle 250/350 race en tour tweetakten
jaren lang krukassen gebruiken met een slag van 54 mm. Bij een 250cc was
daarbij de boring ook 54 mm)
Als opvolger werd in
1968 het studiemodel de R2 uitgebracht, maar deze werd bij mijn weten nooit
officieel in Nederland verkocht.
Persoonlijk vind ik de
YR2 de mooiste tweetakt Yamaha die er ooit gemaakt is. Typerend waren de
rechte uitlaten en de koplamp met integrale toerenteller en snelheidsmeter.
Maar ook deze machine
werd al snel gewipt en in Nederland opgevolgd door de YR3. Dit was de laatste
zware tweetakt in het oude jasje. Weliswaar hadden de cilinders inmiddels 5
poorten en was er het nodige aan het uiterlijk gedaan zoals de twee separate
tellers en zogenaamde trompetuitlaten, maar er stond een nieuwe 350 aan de
poort te kloppen en deze zou uitgroeien tot een van de populairste tweetakten
ooit: de R5.
| FOTO YR2 | FOTO YR3 |
![]() |
![]() |
Het 250cc DS6 concept
werd in die jaren ook overboord gegooid en de opvolger werd de DS7. De meeste
wel bekend door de mooie goudkleurige lay-out.
Deze fiets had evenals
de R1, horizontaal deelbare carters en aluminium cilinders. De DS7 had
inmiddels wel een 54 mm krukas en was werkelijk een fantastische goede
motorfiets en het exponent van alle kennis die Yamaha op het gebied van
tweetakten in huis had.
De motor was dus af
en in de jaren die daarop volgden werd alleen maar aandacht besteed aan het
verhogen van de prestaties.
Er waren dus nu twee
succesvolle en goede tweetakten de 250cc DS7 en de 350cc R5.
In feite volgden er
slechts twee grote ingrepen in beide fietsen. Begin jaren ’70 werden op
beide modellen Reed-Valves gebouwd in het inlaatsysteem en werden de namen van
de fietsen aangepast met de aanduiding “RD”.
De laatste grote
verandering vond plaats in 1978 toen op de 350 cc waterkoeling werd toegepast
en de RD LC zich ontwikkeld had tot een volwaardige, snelle en betrouwbare
tweetakt.
Maar daarmee was het
verhaal nog niet af. De tweetakt van Yamaha bleef voor een grote en
geselecteerde groep liefhebbers een gewilde fiets en men zou de tweecilinders
nog jarenlang blijven doorontwikkelen, waardoor de RD een derde jeugd in zou
gaan. Met dank aan Adler.